2
jul
2019
0

Ordoliberalisme in Nederland?

Afgelopen donderdag en vrijdag was ik aanwezig bij de internationale workshop ‘Building the neoliberal welfare state’ in Amsterdam. Samen met deskundige sprekers, waaronder  Hagen Schulz Forberg, Dieter Plehwe (, Ido de Haan (Universiteit Utrecht) en Merijn Oudenampsen (Universiteit van Amsterdam), discussieerde ik over het ontstaan van nieuw-liberale denkbeelden in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. In mijn eigen lezing richtte ik mij daarbij op de ontwikkelingen in Nederland. Hoe verhield het academische klimaat van de Nederlandsche Economische Hoogeschool (NEH) zich in deze periode tot ontwikkelingen in het buitenland? Ik verkende daarbij de stelling dat economen als Jelle Zijlstra een cruciale rol hebben gespeeld in het Nederlandse ordeningsdebat van de jaren veertig. Het waren daarbij de lessen van zijn Rotterdamse mentor professor Frans de Vries die een cruciale rol speelden. Volkomen concurrentie was een illusie uit het verleden, had Zijlstra van De Vries geleerd. Ordening was in de moderne tijd onontbeerlijk. De werkelijke vraag was dan ook niet vrije marktwerking of ingrijpen, maar regeling door het bedrijfsleven zelf; of regeling door de overheid.

Voortbouwend op deze premisse kwamen economen als Zijlstra tot een ordeningsvisie waarin zowel marktwerking als overheidsingrijpen een plek kreeg. Er waren voor Zijlstra geen principiële grenzen aan overheidsinmenging, wat tot eindeloze haat en nijd in zijn eigen, antirevolutionaire kring leidde. Daar werd de staat na de oorlog nog altijd gezien als het grote, rode gevaar. Aangezien Zijlstra geen principiële grens wilde aangeven, verkondigde de jonge econoom volgens de rechtse houwdegen Chris van den Heuvel van de ARP een ‘totalitaire Staatsopvatting’.

Hoewel Zijlstra het neoliberale denken in een lezing uit 1951 nog onvoldoende rijp achtte om als leidraad voor economisch beleid te dienen, biedt een vergelijking tussen zijn visie en het denken van de Duitse ordoliberalen interessante aanknopingspunten. Zo haalde Zijlstra in zijn oratie al de economen Walter Eucken, Friedrich von Hayek en Wilhelm Röpke aan. Vooral Eucken en Hayek waren denkers die in Rotterdam veelvuldig voorbij waren gekomen, zowel in de colleges van De Vries als in die van J.G. Koopmans, die Zijlstra inwijdde in het monetaire denken. Voor wat betreft het denken over marktordening, refereerde Zijlstra in zijn oratie aan de kritische of “laatste waarden” van Hayek en Röpke. Steeds konden fundamentele waarden als economische en politiek vrijheid op het spel komen te staan. Zijlstra formuleerde hiermee een eigen versie van de Hayek-these. Daarbij waren het niet de tijdloze principes van de aloude antirevolutionaire dogma’s die bescherming boden, maar de politieke waakzaamheid van een nieuwe generatie politici en economen. Zij moesten de tijd doorzien en voorkomen dat de vrijheid waarop het Nederlandse bestel rustte, bedoeld dan wel onbedoeld werd ingeruild voor staatsdwang en uiteindelijk zelfs politieke dictatuur.

Ook op andere manieren valt het economisch-politieke denken van Zijlstra zinvol te vergelijken met het Duitse ordoliberalisme. Het denken van deze Duitse neoliberalen mocht het ‘studeerkamer-stadium’ dan nog niet ontgroeid zijn volgens hem, concepten eruit drongen wel degelijk door tot eigen zijn visie. De vergelijking wordt des te interessanter als men kijkt naar het economisch-financiële beleid dat Zijlstra in de loop van de jaren vijftig en zestig voerde. Hoewel ik hier in mijn lezing in Amsterdam wel op in ging, zal ik dat nu achterwege laten. Maar; het artikel waarin ik dit alles uiteen wil proberen te zetten is in de maak!

Afb.: Zijlstra en Ludwig Erhard bij het 12e internationale congres van de Internationale Unie van Christen-Democraten in Schevingen, 8/5/58. Fotograaf: Harry Pot. Nationaal Archief, CC0.

 

 

Leave a Reply